Archief van
Auteur: Stephan Peters

Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen

Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen

‘Das ist die traurige Lage des jetzigen Gymnasiums: die beschränktesten Standpunkte sind gewissermassen im Recht weil niemand imstande ist den Ort zu erreichen oder wenigstens zu bezeichnen, wo alle diese Standpunkte zum Unrecht werden.’ Het is de één-na-laatste zin van de tweede voordracht die Nietzsche op 6 februari 1872 in Bazel houdt. Een van de vijf die de boeken in zijn gegaan onder de titel ‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’ en o.a. te vinden in de dundrukuitgave van Karl Schlechta (pag. 175 t/m 263).

‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’

 

‘Bildungsanstalten’ ging door mijn hoofd toen ik in een korte discussie de discrepantie voelde tussen enerzijds onze wijze van het bureaucratisch inrichten van onderwijsinstellingen en anderzijds de beschouwelijke modus van waaruit je elke keer weer tot de filosofische basis komt; de verwondering. Onderwerp was de ‘stage’ waarbij onze nationale leenbank voor studenten DUO, de student op gemakkelijke wijze van meer geld voorziet dan strikt noodzakelijk en daarmee de ‘Bildungsanstalt” financiert die de geen- colleges-volgende student de status van stagiaire afgeeft en daarmee de instelling of het bedrijf waar die stage gevolgd wordt de legitimering geeft om minder te belonen dan vanuit een andere bureaucratische regelgeving toegestaan is. Hoe leer ik een vak? Een beroep? Hebben we het nog niet over Bildung. Een gedachtesprong vanuit het hedendaagse bureaucratisch absurde naar een tijdloze beschouwing en kritische zinnen van Friedrich Nietzsche.

Nietzsche schreef in dat jaar zijn voordrachten over het onderwijs op het gymnasium en de universiteit, toen hij als een nog jonge hoogleraar klassieke filologie in Bazel woonde. Van de geplande en op het voorblad genoemde zes zijn er uiteindelijk vijf door hem voorgedragen (16/1, 6/2, 27/2, 5/3 en 23/3). Een serie voordrachten die hij hield in opdracht van de ‘Academischen Gesellschaft’ in Bazel. Wat als een spannend jongensboek begint blijkt later een zeer kritische en uitgebreide verhandeling te worden waarbij de 27-jarige professor Nietzsche het Duitse gymnasium en de Duitse universiteiten – maar daarmee ook buiten zijn eigen land en reikend tot aan de tijd van vandaag – met niet mis te verstaande woorden bedient.

‘(…) denn der wissenschaftliche Mensch und der gebildete Mensch gehören zwei verschiedenen Sphären an, die hier und da sich in einem Individuum berühren, nie aber miteinander zusammenfallen.’

 

Frits Abrahams schreef op 17 augustus 2018 een kort stukje in de NRC: “Van Nietzsche naar Twain”. Het eerste deel herhaal ik hier graag nog even: ‘Omdat Friedrich Nietzsche zich als 24-jarige een poos in Basel had gevestigd, kon ik het niet laten op een zonnige vakantiedag zijn woonadressen op te zoeken. Daarvoor moest ik vooral in de buurt van de Spalentor zijn, een nog bestaande poort in de voormalige stadsmuren van Basel. Daar heeft Nietzsche in verschillende huizen gewoond tijdens de tien jaar (1869-1879) dat hij hoogleraar klassieke filologie aan de universiteit van Basel was. „Met zijn aankomst in Basel”, schrijft zijn biograaf Curt Paul Janz, „belandt Nietzsche in een volkomen – vooral op geestelijk gebied – nieuw klimaat dat op zijn ontwikkeling de sterkst mogelijke invloeden zal uitoefenen.” Hij schrijft er zijn eerste belangrijke werken. Nietzsche woonde op enkele adressen aan de Spalentorweg en vijf jaar lang om de hoek, op de Schützengraben 45 (nu 47), waar hij gezelschap had van zijn trouwste vriend, de theoloog Franz Overbeck. Op deze hoek staat een goed geconserveerde fontein uit die tijd met de trotse vermelding dat Nietzsche hier dagelijks langskwam op zijn weg naar de universiteit. Minder goed nieuws heb ik over de genoemde adressen. Enkele huizen zijn bewaard gebleven en vormen daarom kennelijk een mikpunt van Nietzsche-haters. De gevel van het huis aan de Spalentorweg 48 waar de ziek geworden Nietzsche met zijn antisemitische zus Elisabeth woonde, is beklad met enkele cryptische teksten en symbolen. De bewoners van het pand aan de Schützengraben hebben dat kennelijk willen voorkomen. Zij hebben een hoog, zwart plastic zeil voor de toegangspoort naar de voortuin gespannen. Daardoor oogt de woning als een ontoegankelijk fort. Arme bewoners. Zij zullen destijds met gepaste trots in die woning zijn getrokken, maar moeten 118 jaar na de dood van de voormalige bewoner ervaren dat roem en doem dicht bij elkaar kunnen liggen.’

Terug naar de inhoud – die overigens voor de oplettende lezer her en der al wat later werk door laat schemeren – refereer ik vervolgens graag ook kort aan een korte uiteenzetting zoals Rob Riemen (oprichter Nexus, zie ook https://nexus-instituut.nl ) het in 2014 verwoordde:

“In 1870 geeft Friedrich Nietzsche in Basel zes lezingen (RR beroept zich op de ondertitel van het werk, echter voordracht zes is nooit gehouden -sp). Zich er terdege van bewust dat onderwijs bij uitstek een weerspiegeling is van de samenleving, leek het hem een goed idee om het onderwerp ʽÜber die Zukunft unserer Bildungs-Anstaltenʼ te kiezen. Wat Nietzsche een geboeid publiek voorhoudt, is de overtuiging dat er enerzijds om politiek-economische redenen een vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs wordt nagestreefd, maar dat anderzijds het culturele aspect van het onderwijs wordt vervlakt en uitgehold. Het onderwijs staat in het teken van het nut, of beter gezegd in het teken van salaris. Vanuit deze optiek studeert de mens om ‘op de hoogte’ en ‘bij de tijd te blijven’, om alle manieren te leren kennen waarop het gemakkelijkste geld kan worden verdiend. Het onderwijs heeft tot taak gekregen ‘courante’ mensen te vormen, mensen die zo mogelijk even inzetbaar en inwisselbaar zijn als courante munt.

De heersende moraal verfoeit onderwijs dat eenzaam maakt, onderwijs dat veel tijd vergt en dat doelen stelt die geld en handel overstijgen. De moderne mens verlangt het tegendeel: snel onderwijs om in korte tijd een geldverdienend wezen te kunnen worden en toch onderwijs dat grondig genoeg is om een zeer-veel-geldverdienend wezen te kunnen worden. Het moderne onderwijs gunt de mens geen cent meer cultuur dan gunstig is voor de economie, maar dit minimum aan cultuur is verplicht. Er bestaat niet langer een school voor beschaving, omdat de aristocratische geest van ware beschaving wordt gehaat en gevreesd. Gymnasia zijn gedegradeerd tot bolwerken van geleerde vetzucht en snobisme; de eigenlijke filosofie is van de universiteit verbannen. Het cultuurideaal is dat van de massamedia: zinloos, stijlloos, karakterloos, even weinig betrouwbaar en duurzaam als krantenpapier. Aldus de 27-jarige hoogleraar Friedrich Nietzsche.

‘Wer wird euch zur Heimat der Bildung führen, wenn eure Führer blind sind und gar noch als Sehende sich ausgeben!’

 

Het gevoel dat Nietzsche bevangt, omschrijft hij als Kultur-Herbst-Gefühl. De Europese cultuur is aan het sterven, het fundament waarin ze geworteld is, verdwijnt. De gevolgen laten zich gemakkelijk voorspellen: moraal en metafysica kunnen niet langer bestaan; Bildung moet plaatsmaken voor nuttige kennis; kunst zal haar betekenis verliezen en meesterwerken worden irrelevant; het enige recht dat rest, is het recht van de sterkste; de samenleving zal zich overgeven aan idolen om de eigen onbenulligheid te vergeten, en als de roes van de vergetelheid is uitgewerkt, ontwaakt het nihilisme en baart zijn twee boosaardige kinderen: terreur en barbarij.

‘Kultur-Herbst-gefühl’: Ulysses van James Joyce, Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil, Les Thibault van Martin du Gard, Moses und Aron van Arnold Schönberg, de poëzie van Celan, de werken van Duchamp en Mondriaan, de beschouwingen van Freud en zo verder – zoveel meesterwerken in de twintigste eeuw zijn een expressie van de cultuurcrisis die zo meedogenloos door Nietzsche is beschreven.

Nietzsche’s vrees voor het wankelen van het fundament van de Europese cultuur heeft nog niets aan actualiteit ingeboet en werpt een verhelderend licht op de eindeloze discussies over het ‘maatschappelijke nut’ van de humaniora. Maar waartoe dient culturele vorming eigenlijk? De ware Bildung kenmerkt zich door een omgang met de culturele tradities, een kennis die de kritische geest van mensen scherpt opdat zij zelf kunnen oordelen wat goed en wat niet goed is, wat wel of niet de moeite waard is. Nietzsche leert dat opvoeden, de kunst een mens tot mens op te voeden, primair een vorm van bevrijding is, en alleen zij die zelf vrij zijn, kunnen ons opvoeden, dat wil zeggen, ons voorbeeld zijn: de ware filosoof en ware kunstenaar. Zij zijn de onaangepasten die ons kunnen verheffen uit de stroom van angst voor eenzaamheid en onzekerheid. Zij zijn het die ons aanmoedigen zelf te ontdekken wat het bestaan eigenlijk waard is, wat de diepste betekenis van je leven is en wat jij met de jou gegeven tijd en talenten moet doen. Zij zijn het die het leven in zijn totaliteit tonen en zeggen: ga je eigen weg – dat heb ik ook gedaan. Nietzsche waarschuwt dat we deze opvoeding – de enige echte vorming – bij uitstek niet zullen vinden bij de instituties die bestaan bij de gratie van de pretentie wel die vorming te bieden: de universiteiten.”

‘Ein redender Mund und sehr viele Ohren, mit halbsoviel schreibenden Händen (…)’

 

Moet ik met de lege resonantie van een pessimistische snaar deze tekst afronden? Dat het zelfstandig denken –met alle beperkende eigenschappen die het ongevraagd in zich heeft – een af en toe schrikbarende armoedige gedaante aanneemt terwijl we aan de andere zijde van het spectrum drukdoende zijn om artificiële en levenloze intelligentie te ontwikkelen? En ons dan nog durven af te vragen of de vrije wil (nog) in ons leeft? We ontwikkelen in onze ‘Anstalten’ het liefst Europese burgers die eenmaal vrij voor de keuze, als doelgerichte zombies utilitaire wegen inslaan die tot rendement in de breedste zin van eigentijdse interpretaties leidt. Tot ‘Männer und Frauen ohne Eigenschaften’ om met Musil te spreken. Tot functionarissen die de dingen doen louter omdat ze kunnen, zonder een cultureel en/of ethisch fundament. Jonge mensen die niet vragen maar doen.

Gelukkig bestaat de regel bij gratie van de uitzondering en ontstaan er ook vele mooie initiatieven in de generatie onder de magische grens van 27. Nieuwe initiatieven vanuit onvrede over de wereld waarin we leven. Vanuit een gemis aan ideaal en inkleuring van mogelijkheden omdat we ook dingen kunnen doen en laten vanuit verwondering, creatieve cognitie en esthetiek.

Mijn optimisme is misschien gebaseerd op de herhaling, inherent aan deze geestelijke pendule. Optimisme met een laagje realisme, i.c. pessimisme, omdat de reikwijdte van de woorden die Nietzsche in zijn voordrachten schreef, keer op keer groter blijkt te zijn dan de 137 jaar bekendheid ermee en de daarmee gepaard gaande en onuitroeibaar lijkende intelligente doofheid.

‘Mann muss nicht nur Standpunkte sondern auch Gedanken haben.’

 

Een voorbeeld van bovenstaand bedoelde doofheid en hardleersheid is de dreigende teloorgang van de letterenstudies. Stefan Couperus (een mooie naam om een pleidooi voor de leterrenstudie te houden) en Clemens Six, verwoorden het belang van de geesteswetenschappen in de NRC van 21 augustus 2018 (https://www.nrc.nl/nieuws/2018/08/20/letterenstudies). Hun argumenten zijn een eigentijdse herhaling van een van de essenties die in Nietzsches ‘Bildungsanstalten’ aan bod kwam. Over oude woorden, de dingen die voorbijgaan.

Het pleidooi voor filosofie i.p.v. godsdienst in het onderwijs (‘Weer denken’ in De Groene Amsterdammer nr. 45, 7 nov. 2019) uit de pen van Marcel Möring, kan ik van harte onderschrijven. Echter wel vergezeld met de opmerking dat het niet de zoveelste filologie oefening dient te zijn, maar gewoon training in lezen, reflecteren, beschouwen, verwoorden en weer herkauwen. In het verlengde hiervan en tot slot uit de vijfde voordracht: ‘Zu einem derartigen neutralen Sichbefassen mit Philosophie werden jetzt unsere Studenten in den philosophischen Seminarien unserer Universitäten angereizt: weshalb ich mich längst gewöhnt habe, eine solche Wissenschaft als Abzweigung der Philologie zu betrachten und ihre Vertreter  danach abzuschätzen, ob sie gute Philologen sind oder nicht. Demnach ist nun freilich die Philosophie selbst von der Universität verbannt: womit unsere erste Frage nach dem Bildungswert der Universitäten beantwortet ist.’

(Over de toekomst van ons onderwijs’ is de vertaalde tekst van de vijf voordrachten. Uitgegeven in 1998 door Uitgeverij Damon en helaas niet meer verkrijgbaar.)