Het meest ongedefinieerde dier

Het meest ongedefinieerde dier

Zonder sommige teksten van Nietzsche een zekere profetische waarde toe te willen kennen –louter omdat ik niet zoveel op heb met profetieën in het algemeen – blijft de actualiteit van sommige woorden uit de pen van Nietzsche een beklemmende herkenning geven. Een leeservaring die boven het lezen uitstijgt; je legt het boek weer eens neer, kijkt naar buiten waar de seizoenen zich opnieuw hebben afgewisseld terwijl de woorden in het boek zich beter hebben ontworsteld aan de tijd dan het papier dat langzaam maar zeker ooit aan de verzuring ten onder zal gaan. Gedachten die Nietzsche bij je oproepen lijken soms het kompas en de klok te ontlopen.

Wanneer de nog geen dertig jaar oude Nietzsche volop bezig is inhoud te geven aan zijn professoraat in Bazel, we schrijven de zomer van 1874, vertrouwt hij wat gedachten aan het papier toe die – evenals zoveel andere – minder bekend bij het grote publiek zijn omdat ze door welke oorzaak dan ook niet in een van zijn boekmanuscripten zijn opgenomen. Wat resteert is dus nalatenschap, Nachlass, ik heb er al wat vaker over geschreven op deze website. Zomer 1874 dus, 135 jaar voordat de maatschappelijke problemen die momenteel de media vullen, zich in hedendaagse en dus wat profetische overpeinzingen laten herkennen. Ik heb het over een tekst die zich gemakkelijk laat lezen en die de Nachlass is ingegaan onder het nummer 35(14) in de Kritische Studienausgabe (KSA) van Colli en Montinari. De uitgave die eveneens als basis heeft gediend voor de zeer verdienstelijke vertaling die Michel van Nieuwstadt voor zijn rekening nam in de uitgave ‘Nagelaten fragmenten’ van Uitgeverij SUN. Een uitgave die antiquarisch nog te koop is!

Aangezien ik wat vaker de opmerking krijg dat het soms jammer is dat ik niet met de vertaalde tekst werk en de brontekst (dus het Duits) gebruik, wil ik in deze bijdrage zoveel mogelijk ook de Nederlandse vertaling meenemen. Daarnaast zal ik alsof het een dictee betreft, de tekst in stukjes hakken en hoop ik daarmee op een lagere instapdrempel. Maar dan wel graag met de belofte van de lezer de tekst tot en met de laatste letter tot zich te nemen. Per slot van rekening vergt de tekst in kwestie geen algemene voorkennis.

Nietzsche is in 1874 nog volop in de geest van Schopenhauer die dan ook met enige regelmaat voorbijkomt. Ook in het geval van voornoemde tekst zet hij Schopenhauer nog even in al diens creativiteit op het toneel met de volgende uitspraak: ‘Schopenhauer spricht einmal den Satz aus, dass man allemal wohl thut, hinter seiner Zeit zurückzubleiben, wenn man sieht, dass sie selbst im Zurückschreiten begriffen ist.’ In de vertaling: ‘Schopenhauer spreekt ergens de zin uit dat je er zonder meer goed aan doet achter te blijven bij je eigen tijd wanneer je ziet dat deze bezig is aan een teruggang.’ Maar ook over de rol van de filosoof zélf laat hij zich zoals bijna ontelbaar vaker expliciet uit: ‘Der Philosoph als der wahre Widersacher der Verweltlichung, als der Zerstörer jedes scheinbaren und verführerischen Glücks und alles dessen, was ein solches Glück verspricht, der Staaten, Revolutionen, Reichthümer, Ehren, Wissenschaften, Kirchen unter den Menschen — dieser Philosoph muss, zum Heile von uns Allen, noch unendliche Male wiedergeboren werden (…)’. (vert. ‘De filosoof als de ware tegenstander van de verwereldlijking, als de vernietiger van elk schijnbaar en aanlokkelijk geluk en van al wat een dergelijk geluk belooft, van wat de staten, revoluties, rijkdommen, eerbetonen, wetenschappen, Kerken zijn onder de mensen – deze filosoof moet, tot heil van ons allen, nog oneindig veel keren herboren worden (…).’ Het is de aanloop naar de tekst die ik hier graag op dit platform deel en die ik in delen in de Duitse brontekst cursief–en telkens daaronder vertaald – zal weergeven:

‘Ich pflege deshalb als die Wurzeln dieser jetzigen gesammten zeit- und werdefreundlichen Cultur zweierlei zu betrachten und zu unterscheiden: einmal die üppige Richtung der Gesellschaft auf Erwerb und Besitz, sodann die kluge Selbstsucht des modernen Staates. Erdenglück: so heisst in beiden Fällen der Köder, mit dem die Cultur in das Netz gelockt wird; der reiche und mächtige Mensch, die freie Persönlichkeit, der Culturstaat — das sind die Verheissungen, mit denen unsre Zeitgenossen betrogen werden sollen. Dass es sich nämlich hier um Betrug handelt, überkommt uns sofort wie eine Offenbarung, wenn wir nur einen Augenblick in jene Höhle niedergestiegen sind, in welcher wir die Wurzeln der ächten, weltfeindlichen Cultur sehen können.’  (vert. ‘Ik pleeg daarom in mijn beschouwing twee dingen als wortels van deze hele huidige cultuur, die zo vriendelijk staat tegenover de tijd en het worden, te onderscheiden: in de eerste plaats de overdadige gerichtheid van de maatschappij op gewin en bezit, vervolgens de slimme zelfzuchtigheid van de moderne staat. Aards geluk: zo heet in allebei de gevallen het lokaas waarmee de cultuur in het net wordt gelokt: de rijke en machtige mens, de vrije persoonlijkheid, de cultuurstaat, dat zijn de beloftes waarmee onze tijdgenoten dienen te worden bedrogen. Dat het hier namelijk om bedrog gaat, wordt ons meteen als per openbaring duidelijk zodra we in dat hol zijn afgedaald waarin wij de wortels van die echte, wereldvijandige cultuur kunnen zien’). Nietzsche ziet zoals we weten de Christelijke gelijkheidsidealen en kunstmatige vormen van emancipatie als tekenen van bedrog wanneer we naar de drijfveren van diezelfde idealen kunnen kijken. Zijn Wil tot Macht was nog niet met die titel van zijn schrijftafel gekomen (en is dat als titel van een eigen werk ook nooit verschenen) maar voorlopers van die latere gedachte contouren zien we al wel zich aftekenen.

Hij gaat verder: ‘Die tieferen Menschen haben zu allen Zeiten gerade deshalb Mitleid mit den Thieren gehabt, weil sie am Leben leiden und doch nicht die Kraft besitzen, den Stachel des Leidens wider sich selbst zu kehren und ihr Dasein metaphysisch zu verstehn; und es empört im tiefsten Grunde, das sinnlose Leiden zu sehen. Deshalb entstand nicht nur an einer Stelle der Erde die Vermuthung, dass die Seelen schuldbeladner Menschen in diese Thierleiber gesteckt seien und dass jenes auf den nächsten Blick empörende sinnlose Leiden vor der ewigen Gerechtigkeit sich in lauter Sinn und Bedeutung, nämlich als Strafe und Busse, auflöse. Wäre aber eine härtere Strafe zu ersinnen, als dergestalt unter Hunger und Begierde als Thier zu leben und gar nicht zur Besonnenheit über das Leben zu kommen, als Raubthier zum Beispiel von der nagendsten Qual durch die Wüste gejagt zu werden, selten befriedigt und auch dies nur so, dass die Befriedigung zur Pein wird, im zerfleischenden Kampfe mit andern Thieren oder durch ekelhafte Gier und Übersättigung.’  (vert. ‘De diepzinnigere mensen hebben te allen tijde juist hierom medelijden met de dieren gehad, omdat die aan het leven lijden en toch niet de kracht bezitten om de angel van het lijden tegen zichzelf te richten en hun bestaan metafysisch op te vatten; en in wezen is het stuitend dit zinloze lijden aan te zien. Daarom rees op meer dan één plaats ter wereld het vermoeden dat in deze dierenlichamen de zielen van met schuld beladen mensen waren ondergebracht, en dat dit op het eerste gezicht stuitende, zinloze lijden ten overstaan van de eeuwige gerechtigheid in louter zin en betekenis, namelijk die van straf en boetedoening, zou opgaan. Maar zou er een hardere straf kunnen worden verzonnen dan aldus in honger en begeerte als dier te leven en tot geen enkele bezinning over dit leven te komen, bijvoorbeeld als roofdier door de meest knagende kwelling dwars door de woestijn te worden opgejaagd, zelden bevredigd en ook dat alleen zó, dat de bevrediging opgaat in pijn, in het verscheurende gevecht met andere dieren of door walgelijke gulzigheid en oververzadiging’). De psycholoog Nietzsche ontwaart hier de projectie van de naar zin en doel zoekende mens die weliswaar van het dierlijke gevecht verlost toch naar antwoorden in het metafysische zoekt. De mens die als een Raskolnikov jongleert met begrippen als schuld en straf en ze als ankers in elke overpeinzing plaatst. De andere grote literator en psycholoog Dostojevski had acht jaar daarvoor zijn grote roman ‘Misdaad en straf’ aan de wereld gegeven, een bijna gelijktijdigheid die op z’n minst zeer boeiend te noemen is!

‘Wo hört das Thier auf, wo fängt der Mensch an’

 

We gaan verder met Nietzsche: ‘So blind und toll am Leben zu hängen, um keinen höheren Preis, ferne davon zu wissen, dass und warum man so gestraft wird, sondern gerade nach dieser Strafe wie nach einem Glücke mit der Dummheit einer entsetzlichen Begierde zu lechzen — das heisst Thier sein; und wenn die Natur sich zum Menschen hindrängt, so fühlt sie, dass er zu ihrer Erlösung nöthig ist und dass in ihm das Dasein sich einen Spiegel vorhält, auf dessen Grunde das Leben nicht mehr sinnlos, sondern in seiner metaphysischen Bedeutsamkeit erscheint. Doch wo hört das Thier auf, wo fängt der Mensch an!Solange jemand nach dem Leben wie nach einem Glücke verlangt, hat er den Blick noch nicht über den Horizont des Thieres hinausgehoben, nur dass er mit mehr Bewusstsein will, was das Thier im blinden Drange sucht — das heisst, wir verbringen Alle den grössten Theil unsres Daseins in der Thierheit, wir selbst sind die Thiere, welche sinnlos zu leiden scheinen.’ (vert. ‘Zo blindelings en dwaas aan het leven hangen, zonder hogere beloning, zonder het minste besef dat en waarom je zo wordt gestraft, maar juist naar deze straf met de domheid van een ontstellende begeerte snakken, als betrof het een geluk – dat betekent het om dier te zijn; en als de natuur zich naar de mens toewerkt, voelt zij dat hij voor haar verlossing nodig is en dat in hem het bestaan zich een spiegel voorhoudt in welks diepte het leven niet meer als zinloos, maar in zijn volle metafysische betekeniszwaarte verschijnt. Maar waar houdt het dier op, waar begint de mens! Zolang iemand naar het leven als naar een geluk verlangt, heeft hij zijn blik nog niet uitgetild boven de horizon van het dier, behalve dat hij met meer bewustzijn wil wat het dier in een blinde drang zoekt – dat wil zeggen: wij brengen allemaal het grootste deel van ons bestaan door in het dierlijke, wij zelf zijn de dieren die zinloos lijken te lijden’). Ik kan niet anders concluderen dat de hier nog geen 30-jarige een gedachte opschrijft die in essentie niet gewijzigd is in zijn werken. Alleen nu, in de 21eeeuw, begint de discussie weer opnieuw; of we een vrije wil hebben en of er van bovenaf gestuurd wordt nu we ontdekken dat wetenschap en het kennen geen rust en geluk geven. Bewust van ons bewustzijn, bewust van onze grenzen, bewust van ons reflecterend vermogen dat we zo mondjesmaat in harmonie met ons dier zijn kunnen brengen. Of brengt onze kennis iets, brengt het ons iets verder? Is er toch reden voor wat blijheid en optimisme?

Nietzsche gaat op de voor hem zo kenmerkende wijze verder in zijn overdenking: ‘Aber es giebt Augenblicke, wo die Wolken zerreissen und wo wir uns, sammt aller Natur, zum Menschen hindrängen. Schaudernd blicken wir, in jener plötzlichen Helle, um uns, rückwärts: wir sehen die verfeinerten Raubthiere rennen, uns mitten unter ihnen. Die ungeheure Bewegtheit der Menschen auf der grossen Erdwüste, ihr Städte- und Staatengründen, ihr Kriege-führen, ihr rastloses Sammeln und Auseinanderstreuen, ihr Durcheinander-Laufen, von einander Ablernen, Ablisten, ihr gegenseitiges Überlisten und Niedertreten, ihr Geschrei in Noth, ihr Lustgeheul im Sieg — alles ist Fortsetzung der Thierheit: als ob der Mensch absichtlich zurückgebildet und um seine metaphysische Anlage betrogen werden sollte, ja als ob die Natur, nachdem sie solange den Menschen ersehnt und erarbeitet hat, nun vor ihm zurückbebte und lieber wieder zurück in die Unbewusstheit des Triebes wollte. Ach, sie braucht Erkenntniss, und ihr graut vor der Erkenntniss, die ihr eigentlich Noth thut; und so flackert die Flamme unruhig und gleichsam vor ihrer Aufgabe erschreckt, hin und her und ergreift tausend Dinge zuerst, bevor sie das ergreift, dessentwegen überhaupt die Natur der Erkenntniss bedarf.’ (vert. ‘Maar er zijn ogenblikken waarop de wolken uiteenscheuren en waarop wij, samen met de hele natuur, ons naar de mens toewerken. Huiverend kijken wij, in die plotselinge helderheid, om ons heen, achterom: wij zien de verfijnde roofdieren rennen, onszelf tussen hen in. De enorme opgejaagdheid van de mensen over de grote woestenij die de aarde is, hun grondvesten van steden en straten, hun oorlog voeren, hun rusteloos vergaren en uiteen strooien, hun door-elkaar-heen-lopen, van elkaar afkijken, aftroggelen, hun wederzijdse elkaar overtroeven en vertrappen, hun geschreeuw in nood, hun wellustig gebrul als ze overwinnen – alles is een voortzetting van het dierlijke: alsof de mens met opzet een paar treden teruggezet en in zijn metafysische aanleg moest worden gefnuikt, ja alsof de natuur nadat zij zo lang naar de mens verlangd en aan zijn totstandkoming heeft gewerkt, nu voor hem terugdeinsde en liever weer terug wilde naar de onbewustheid van de drift. Ach zij heeft kennis nodig, en zij gruwt van de kennis die zij eigenlijk nodig heeft; en zo flakkert de vlam weer onrustig en als het ware van haar eigen taak geschrokken heen en weer, en grijpt om te beginnen naar de duizend dingen alvorens te grijpen naar datgene omwille waarvan de natuur de kennis eigenlijk nodig heeft’). Met teksten en inzichten als deze uit de 19eeeuw krijg ik steeds weer die gedachte dat we nog niet veel verder zijn gekomen dan deze overdenking an sich. Alleen de enorme goocheldoos die ons naar de maan heeft gebracht, de medische wetenschap naar het niveau van vandaag heeft getild, ons draadloos laat communiceren, de quantummechanica met het toeval laat stoeien en de raket tot op de meter precies laat inslaan op het doel…. maar nog steeds dier en dierlijk ontheemd als weleer, of misschien nog meer van huis, verdwaald en verdwaasd op zoek naar onze roots en richting nu we ook nog eens een God hebben vermoord. Het meest ongedefinieerde dier dat met zijn rugtasje vol religieuze en spirituele behoeftes over de aarde raast en het liefst de stilte aan zich voorbij laat gaan…de vlam flakkert onrustig heen en weer.

Welche Mücke lässt uns nicht schlafen?

 

‘Wir wissen es Alle in einzelnen Augenblicken, wie die weitläuftigsten Anstalten unseres Lebens nur gemacht werden, um vor unserer eigentlichen Aufgabe zu fliehen, wie wir gerne irgendwo unser Haupt verstecken wollen, als ob uns dort unser hundertäugiges Gewissen nicht erhaschen könne, wie wir unser Herz an den Staat oder den Geldgewinn, die Wissenschaft, die Geselligkeit hastig wegschenken, bloss um es nicht mehr zu haben, wie wir selbst der schweren Tagesarbeit hitziger und besinnungsloser fröhnen, als nöthig wäre um zu leben — weil es uns nöthiger scheint nicht zur Besinnung zu kommen. Allgemein ist die Hast, weil jeder auf der Flucht vor sich selbst ist, allgemein auch das scheue Verbergen dieser Hast, weil man zufrieden scheinen will und die scharfsichtigeren Zuschauer über sein Elend täuschen möchte, allgemein das Bedürfniss nach neuen klingenden Wort-Schellen, mit denen behängt das Leben etwas Festlich-Lärmendes bekommen soll. Jeder weiss aus seiner Erfahrung, wie plötzlich sich mitunter unangenehme Erinnerungen aufdrängen und wie wir dann durch heftige Gebärden und Worte bemüht sind, sie uns aus dem Sinne zu schlagen — aber die allgemeine Gestalt unseres Lebens lässt errathen, dass wir uns immer in einem solchen Zustande befinden: was ist es doch, was uns so häufig anficht, welche Mücke lässt uns nicht schlafen?’

(vert. ‘Wij weten op sommige ogenblikken allemaal, hoe wij in ons leven de meest uitgebreide aanstalten alleen maar maken om voor onze eigenlijke taak op de vlucht te gaan, hoe wij ons hoofd graag ergens zouden willen verstoppen, omdat ons honderdogige geweten ons daar zogenaamd niet kan achterhalen, hoe wij ons hart aan de staat, aan geldelijk gewin, aan de wetenschap, aan sociaal verkeer verpanden alleen om geen hart meer te hebben, hoe wij ons zelfs driftiger en tomelozer op ons zware werk van alledag storten dan nodig zou zijn om te leven – omdat het ons nog nodiger lijkt niet tot bezinning te komen. Algemeen is de haast, want iedereen is op de vlucht voor zichzelf, algemeen is ook het schuwe verbergen van deze haast, want men wil tevreden lijken en de scherpziendere toeschouwers omtrent zijn misère misleiden, algemeen is de behoefte aan nieuwe woorden schel als rinkelbellen, waarmee behangen het leven iets luidruchtig-feestelijks moet krijgen. Iedereen weet uit eigen ervaring dat zich soms plotseling onaangename herinneringen opdringen en wij dan met heftige gebaren en woorden ons best doen die uit ons hoofd te zetten – maar de algemene vorm van ons leven doet bevroeden dat wij ons altijd in zo’n toestand bevinden: wat is het toch dat ons zo vaak komt overvallen, welke mug gunt ons de nachtrust niet?’). Wat valt hier nog aan toe te voegen? Tijdlozer dan deze zelfinzichten kan ik ze niet bedenken. De vormen wijzigen, de behoeftes en drijfveren blijven identiek net zoals de drang om ze van een laagje vernis te voorzien. Stilstand is achteruitgang dus rennen we voort want achteruit is omgekeerde levensdrift maar is stilstand daadwerkelijk achteruitgang? Wat zou de gedachte van die ‘domme’ koe zijn wanneer we langs het prikkeldraad racen? Wanneer we -ons niet bewust van het landschap om ons heen- draadloos communiceren met een onzichtbare en ons laten uitleggen hoe we meer likes op onze Facebook pagina kunnen krijgen? De koe kijkt, weet niet, voelt hoogstens iets en graast tevreden verder wanneer we uit haar blikveld zijn verdwenen en we opnieuw aan de stilte van de natuur zijn ontsnapt.

We gaan langzaam naar het einde van Nietzsche’s tekst: ‘Es geht geisterhaft um uns zu, jeder Augenblick des Lebens will uns etwas sagen, aber wir wollen diese Geisterstimmen nicht hören. Wir fürchten uns, wenn wir allein und stille sind, dass uns etwas in das Ohr geraunt werde; und so hassen wir die Stille und betäuben uns durch Geselligkeit. Der Mensch weicht nach Kräften dem Leiden aus, aber noch mehr der Deutung des erlittenen Leidens, in immer neuen Zielen sucht er das dahinten Liegende zu vergessen. Wenn der Arme und Geplagte sich gegen das Schicksal aufbäumt, welches ihn gerade an diese rauheste Küste des Daseins warf, so will auch er sich nur betrügen: er mag nicht in das tiefe Auge hineinsehen, das ihn aus der Mitte seines Leidens fragend anblickt, als ob es sagen wollte: ist es dir nicht leichter gemacht, das Dasein zu begreifen? Jene scheinbar Beglückteren, die sich in Unruhe und Flucht vor sich selbst verzehren, um nur ja nicht die natürliche böse Beschaffenheit der Dinge, des Staates zum Beispiel oder der Arbeit oder des Eigenthums, zugeben zu [+ + +] (vert. ‘Het gaat er rondom ons spookachtig aan toe, elk ogenblik van het leven wil ons iets vertellen, maar wij willen deze spookstemmen niet horen. We zijn, als we stilletjes op ons eentje zitten, bang dat ons iets in het oor gefluisterd zal worden; en daarom haten we de stilte en verdoven we onszelf door gezellig samenzijn. De mens gaat zoveel mogelijk het lijden, maar meer nog de duiding van het ondergane lijden uit de weg, door zich steeds nieuwe doelen te stellen probeert hij te vergeten wat daarachter schuilgaat. Als de arme en geplaagde mens revolteert tegen zijn lot, omdat het hem uitgerekend op de rauwste kust van het bestaan wierp, dan wil ook hij zichzelf alleen bedriegen: hij kijkt liever niet in het diepe oog dat hem midden uit zijn lijden vragend aanblikt, alsof het wilde zeggen: is het je niet makkelijker gemaakt het bestaan te begrijpen? Die schijnbaar gelukkigere mensen die door onrust verteerd worden en voor zichzelf op de vlucht zijn, om maar niet de natuurlijke slechte hoedanigheid van de dingen, van de staat bijvoorbeeld of van de arbeid of van het eigendom, toe te hoeven geven [+++]’).

Zoals –zeker in de Nachlass- veelvuldig bij Nietzsche voorkomt, breekt hij hier gevoelsmatig toch nog abrupt af. De kruisjes geven ook een lege plek in het manuscript aan. Maar hij heeft zijn punt duidelijk gemaakt en heeft zonder dat ik daar die duiding aan wil geven een scherpe analyse gegeven van het verzuchtende dier dat we in de spiegel tegenkomen, van onze zoekende blik die de behoefte naar vervulling van onze verlangens verraadt. Het vraagteken dat als in een surrealistisch schilderij boven ons hoofd gepositioneerd is, nog steeds als een zwaard van Damocles tijdloos bungelend boven ons hoofd…

Tot het einde gelezen? Dan is mijn kleine missie geslaagd want ‘Zijn de slechtste lezers niet diegenen die zich als plunderende soldaten gedragen: ze halen dat eruit wat ze kunnen gebruiken, besmeuren en verhaspelen de rest en stellen het geheel in een kwaad daglicht.’