Mater Dolorosa van Zweig vertaald

Mater Dolorosa van Zweig vertaald

In de aanloop naar een verder onderzoek naar de relatie tussen Stefan Zweig en Friedrich Nietzsche waar ik later op terugkom, kon ik het niet laten alvast de ‘Mater Dolorosa’ te gaan vertalen voor deze website. Ook omdat er naar mijn weten nooit een Nederlandse vertaling is gepubliceerd. Stefan Zweig schrijft openhartig en in zijn kenmerkende stijl over de publicatie “Der kranke Nietzsche” die bij Bermann Fischer in 1937 van de auteur Erich Podach verscheen. Het is de tijd waarin Nietzsches moeder zich over haar zoon ontfermt terwijl zijn zuster al druk doende is de teksten van haar broer naar haar hand te zetten. Overbeck probeerde de moeder te beschermen voor de manipulaties van haar dochter. Hierover dus later meer.

Nu eerst de tekst van Zweig die voor zichzelf spreekt:

De brieven aan Franz Overbeck leiden naar een van de prachtigste maar tevens ook meest verschrikkelijke landschappen van de ziel: naar de intens kille eenzaamheid in de laatste levensjaren van Friedrich Nietzsche. Het is voor de fantasie een gevaarlijke en bijna pijnlijke opgave om deze vijftien jaren van uiterste eenzaamheid te verbeelden. Een monodrama, zonder opsmuk of andere acteurs dan alleen deze eenzaam lijdende mens. Over het algemeen is de mensheid, wanneer het om de grote namen gaat, niet geneigd om het nuchtere feit van de ellende te aanvaarden en zich te vereenzelvigen met de alledaagsheid van de omstandigheden. Uiteindelijk zijn die omstandigheden voor de genieën het startpunt van de ellende. We creëren liever een legende en romantiseren de ellende om deze vervolgens zelf te kunnen ontwijken. We idealiseren onze helden om hun grootsheid gemakkelijker te kunnen begrijpen. Zo is het ook sinds twee decennia voor Duitse toeristen een gewoonte geworden om wanneer ze in het Engadin verpozen, tussen lunch en diner over goed geplaveide paden de eenzaamheid van Nietzsche te ondergaan, waar hij onder een hoog gewelfde hemel, in het aanzicht van de gletsjers op de bergen en duizenden meters boven de zeespiegel zijn ‘Zarathustra’ en ‘Omwaardering van alle waarden’ creëerde. Versteend zien zij het verheven en buitengewoon mooie landschap als het decor dat met hun gevoel van een titanenstrijd overeenkomt en hebben niet in de gaten hoe zij met hun poëtische aanbidding de innerlijke en ongehoorde tragiek van Nietzsches zwerversjaren te kort doen. Want een God, dronken van eenzaamheid die zich hier verheven boven aards gekrioel, ver van lawaai en als het ware uit de sterren aan de altijd heldere hemel, het nachtelijke gezang van Zarathustra tot zich liet komen, is Nietzsche nooit geweest. Dat getuigen zijn brieven, hij was een nog veel grotere, zijn eenzaamheid veel intenser omdat deze veel beklagenswaardiger, niet poëtisch, veel banaler en juist daarom veel heroïscher was. Het was de eenzaamheid van een ziek, halfblind, maaglijdend, nerveus en overprikkeld mens die in vlucht voor zichzelf en de wereld zich door honderden hotelkamers, chambres garnies, pensions, dorpen en steden haast, jager en prooi tegelijk, tussen de pijnigingen van de zenuwen steeds aan het werk. Nergens in de brieven die door hun intimiteit misschien wel tot de mooiste en, gezonden aan Overbeck, tot de laatst gepubliceerde behoren, is iets van de Halkyonische rust zoals de goede burger zijn eenzaamheid beschouwt, terug te vinden. Alle rust is bij hem slechts tijdelijk, al het geluk van korte duur. De ene keer is  hij in Lugano, in Naumburg, in Algula, dan weer in Bayreuth, in Luzern, in Steinabad, in Chilon, in Sorrento. Dan denkt hij weer dat de baden van Ragaz hem van zijn pijnlijke lijf kunnen verlossen, het helende water van St. Moritz of de bronnen van Baden-Baden hem verlichting kunnen geven en dan zoekt hij weer Interlaken, Geneve en een kuuroord in Wiesen op. Op een gegeven ogenblik is het dan het Engadin dat hij als een plek van bevrijding en zielsverwant ervaart, dan moet het weer een stad in het zuiden zijn, Venetië of Genua, Menton of Nice. Heel even probeert hij Mariënbad, dan verlangt hij weer naar de bossen, naar de open hemel of hij meent dat kleine heldere stadjes met een goed dieet hem rust zouden kunnen geven. Het zwerversbestaan wordt voor hem een wetenschap; hij bestudeert geologische en geografische publicaties om ergens een gebied, een klimaat en mensen te vinden waarmee hij zich vereenzelvigen kan. Barcelona verschijnt in zijn plannen en zelfs de hoogvlakte van Mexico geeft hem hoop op rustige zenuwen. Maar steeds weer is zijn vermoeiende eenzaamheid om hem heen, of hij het wil of niet, of hij ervoor vlucht of niet, steeds weer raakt hij in een nieuwe eenzaamheid en uiteindelijk in een laatste waarin de algemene grenzen van het bestaan, de ruimte en de taal, niet meer voelbaar zijn, en alles even koud en mistig wordt. Een poollandschap met een kouwelijke schemering, desolaat en mensenvreemd, gevuld met een heimelijke duisternis waar uiteindelijk het rode Noorderlicht van de waanzin opdoemt. De gezellige, comfortabele en poëtische voorstelling van zijn verblijf in Sils Maria moet men dus gauw achter zich laten wanneer men over zijn eenzaamheid spreekt. Maar ook afrekenen met het legendarische beeld rondom het zwerven dat door de gebruikelijke bustes en foto’s tot een monumentaal en demonisch niveau gestegen of eigenlijk gedaald is. Nergens in al zijn brieven noch in al zijn andere documenten komt hij tevoorschijn zoals hij in zijn grootse bustes afgebeeld wordt; als de grote statige krachtpatser met het stevige open reuzen voorhoofd, de slimme ogen onder de borstelige wenkbrauwen en de kolossale Vercingetorix-snor boven de uitdagende mond. Indien men hem werkelijk wil begrijpen dan moet men niet schuwen hem in meer menselijke proporties te zien. Deze gedurfde ogen onder de gewelfde wenkbrauwen waren in werkelijkheid troebele lichten met zwak zicht, bij elke leesinspanning vol traanvocht en door geen enkele brillensterkte tot een volle lichtopbrengst te corrigeren. Zijn schrift ontstond op de machine waarbij zijn oog het geschrevene maar nauwelijks kon volgen. Het schrift van brieven was voor deze halfblinde een ellende en de schrijfmachine een van de kostbaarste geschenken van Amerika aan de oude wereld omdat hij daarmee een nieuwe vorm van uitdrukken ontdekte. Achter het hoge marmeren voorhoofd was in werkelijkheid een stevig geklop van de slapen, een stuiptrekken vanwege brandende pijn, een vonkenregen vanwege het continue wakker zijn, een vreselijke slapeloosheid die hij tevergeefs met een steeds hogere dosis chloralhydraat probeerde tegen te gaan. Alle organen zijn ontregeld door een toenemende overgevoeligheid van de zenuwen, elk verkeerd eten irriteert zijn gevoelige darmen, dagenlang overgeven is geen zeldzaamheid, elke wisseling van de atmosfeer, luchtdruk of weersverandering leidt tot een crisis in zijn productie. Zoals de luchten in april wisselen de stemmingen in zijn lichaam als het kwik in een barometer, ze schieten van een wilde bijna ziekelijke opgewektheid plotseling naar een diepzwarte melancholie, alles is zenuw aan hem, en zenuwen voelen betekent pijn voelen. De afhankelijkheid van zijn lichamelijke conditie is een verschrikking voor deze zenuwmens en des te verschrikkelijker omdat deze eenzame mens met weinig tot geen afleiding door omgang met anderen, deze mensen kan gadeslaan, omdat hij continu de gevoelige magneetnaald, de boussole van zijn gevoelens, in zijn handen houdt en ook zevenmaal verschrikkelijk omdat deze innerlijke gevoeligheden door de ongemakkelijkheden van zijn kleinburgerlijke en ingeperkte leven steeds sterker worden. Alleen de vlucht van Dostojewski in dezelfde jaren, door dezelfde vreemdheid, armoede en vergetelheid, kent deze uitbarsting van ziekten vanuit een eenzaam leiden. Terwijl buiten aan de oppervlakte van de geschiedenis, wetenschap en kunst als een bont gezelschap op een jaarmarkt over elkaar heen tuimelt, lijden in tot dusver niet onderzochte decors van goedkope, slecht gemeubileerde hotelkamers en pover aangeklede pensions, deze twee grootste genieën van de tweede helft van de eeuw. De Dionysos van de grote werken, de verkondiger van het leven, draagt hier en daar het broodmagere lijf in zich van de wegkwijnende Lazarus die dagelijks sterft van pijn en door God steeds opnieuw wordt opgewekt. Op de een of andere wijze moet men eerst de zeven hellevuren van de verlatenheid doordringen om op het laatst, tot het ware door te dringen. Deze laatste eenzaamheid van Nietzsche heeft geen getuigen meer gehad, geen gesprekken of ontmoetingen. Alleen maar geschreeuw, uitroepen als stuiptrekkingen vanuit een verre duisternis, zijn brieven als kreten van hoop en kwelling. In het begin zijn het alleen kleine spanningen die tot kleine lichamelijke ongemakken leiden, maar beetje bij beetje drukt de totale atmosfeer, de onbekende, geluidloze, en ijskoude lucht van eenzaamheid als een loden lucht op hem en verandert de hele wereld in een tegenzin en kwelling. Wanneer je de brieven stapsgewijs van jaar tot jaar volgt dan ervaar je hoe het steeds donkerder en somberder om hem werd en je als het ware vanuit een heldere hemel in een grot afdaalt. In het jaar 1871 wanneer deze weg vanaf Bazel begint, en de jonge professor in het zuiden probeert te herstellen van een ernstige ziekte die hij in de Duits-Franse oorlog is opgelopen, is zijn leven nog stevig vervlochten met hoop en medemens en staat het volop in het licht van populariteit en successen. Op de universiteit is hij een van de meest geliefde en beruchte docenten, zijn eerste teksten hebben hem tot middelpunt van levendige discussies gemaakt, hij staat als geen ander in Duitsland zo dicht in contact met de grootste naam van zijn tijd, Richard Wagner. In de nog jonge studie filologie wordt hij als een nieuweling maar drukbezet leider erkent. De breuk met de universiteit van Bazel is de eerste haarscheur die hij niet meer repareren kan. Elke stap voorwaarts die hij vanaf nu zet maakt hem eenzamer, elk boek dat hij vanaf nu publiceert verwijdert hem meer van de gangbare literatuur dan dat het er zich mee verbindt. De breuk met Wagner berooft hem niet alleen van de ‘volste mens’ die hij ooit gekend heeft, de enige die met een geniale scherpe blik in de 24-jarige filoloog het uitzonderlijke fenomeen van zijn tijd ontwaart, maar het ontneemt hem ook in één ruk de helft van zijn relaties. Diegene die hem kende via Wagner verlaat hem omwille van Wagner. Zij die overblijven behandelen hem met enige voorzichtigheid en terughoudendheid. Twee jaar later brokkelen opnieuw wat contacten af. Zijn zus die hem altijd nog een thuisgevoel gaf, vertrekt naar overzeese landen om haar man te volgen. De interesse die als vegetatie rondom zijn boeken woekerde, neemt door zijn ongepaste laatste scheppingen steeds verder af totdat het volledig afsterft. Terwijl doorgaans van dichterlijke en nieuwe boeken een magnetische werking uitgaat, een geheimzinnige kracht die eensgezinde zielen aantrekt, stoten die van hem juist bevriende personen af. Nog een keer, rondom zijn veertigste jaar, op het hoogtepunt van zijn kunnen, wendt hij zich langzaam met open armen tot nieuwe vrienden:

 

»O Lebens Mittag! Zweite Jugendzeit!

O Sommergarten!

Unruhig Glück im Stehn und Spähn und Warten!

Der Freunde harr ich, Tag und Nacht bereit,

Der neuen Freunde! Kommt! Es ist Zeit! Es ist Zeit!«

 

Maar aan zijn levensboom groeit geen blad meer. Het is te laat. Er ontstaan nog wel nieuwe betrekkingen, in de verte gloort er toekomstige roem; Brandes, Strindberg, Hippolyt Taine melden zich als eersten die hem accepteren. Maar ze zijn te ver weg, te afgezonderd om in dit zeldzame leven dat vanbinnen verbrand en aan de buitenzijde aan kou ten onder gaat, binnen te treden. Op zijn halfblinde zwerftocht gaat hij op de tast van zee naar stad van alp naar dal maar ook steeds van eenzaamheid naar eenzaamheid. Als dan uiteindelijk de innerlijke hitte zijn bevroren buitenzijde doet knappen en hij in Turijn door de waanzin wordt overvallen, is geen enkele vriend aanwezig. Dit wonderlijke brein gaat langzaam ten onder.

Alleen één enkeling is vanaf het moment dat Nietzsche zijn leerstoel in Bazel neerlegt steeds aanwezig, begeleidt de wandelaar vanaf een afstand en vanuit een bezorgdheid steeds vanuit een vizier en met gevoel, de meest trouwe vertrouweling, Franz Overbeck wiens briefwisseling met Nietzsche nu voor het eerst in z’n volledigheid toegankelijk is. Een jarenlange onderlinge twist in uitgeversland die nog niet helemaal beslecht is, heeft ervoor gezorgd dat deze briefwisseling zeer karig is uitgegeven, zonder een inleiding waardoor men iets kan leren over het ontstaan en de vorm van de vriendschap en men niets meer over Overbeck ervaart dan hetgeen men uit de pagina’s briefwisseling kan opmaken. Maar misschien is dat wel beter omdat juist in deze anonimiteit van de publicatie het persoonlijke en ongelukkige karakter beter wordt onthuld. Men ervaart niets over de filoloog, de collega, de professor, of de schrijver in Overbeck, niets vanuit zijn productieve kant waarmee hij voor zichzelf en de wereld iets toevoegde, maar veelmeer de andere verborgen kant die hier wezenlijker is: de toewijding, de vriendschap. Hij was niet de leraar voor Nietzsche zoals Wagner dat is geweest, niet de leerling zoals Peter Gast, niet de geestverwant zoals Rohde, niet met een familiaire bloedband zoals de zus, maar niets meer dan een vriend, maar dan wel een vriend die alle toppen en dalen, alle grote en kleine daden van vertrouwen verpersoonlijkt. Hij is voor Nietzsche alles: de postbezorger, de commissionair, de bankbehartiger, de dokter, de bemiddelaar, de boodschappenbrenger, de altijd troostende, de begripvolle kalmerende, altijd aanwezig, door niets uit het lood te slaan, altijd openstaand voor hetgeen hij van deze buitenstaander begrijpen kan, vol eerbied voor het onmetelijke dat ook zijn vriendschap niet omvatten kan. Hij is de enige stevige ankerplaats in het heen en weer schommelende bestaan van Nietzsche waarop deze telkens met zekerheid zijn blikken richten kan en van waaruit eens als een diepe ademzucht een woord van dankbaarheid klonk: ‘midden in het leven was ik omringd door de goede Overbeck.’ Nietzsche schrijft hem alles, ook over het kleinste lichamelijke onderwerp dat hij voor anderen misschien vanuit schaamte verbergt, voor alles benadert hij hem, de kleinste huiselijke zaken vertrouwt hij hem toe, elke slapeloze nacht, elke verregende dag, alle vreemde en ……… van zijn gezondheid. De helft van zijn brieven zijn berichten de andere helft zijn verschrikkelijke uitroepen van vertwijfeling die nog dagenlang naklinken in de ziel. Het is afschuwelijk om deze te lezen want als een bloeding komt het er vaak uit: ‘ik begrijp niet meer waarom ik ook nog maar een half jaar leven zou’ of ‘ik moet een nieuw geduld vinden en meer nog dan geduld, de loop van een pistool is nu voor mij de bron van een betrekkelijk prettige gedachte’, of de hartverscheurende acclamatie: ‘maak het jezelf toch gemakkelijker: sterf.’

Hij klaagt over een oven die hij in Genua mist, hij vraagt om een bijzondere soort thee waardoor hij minder ongemak hoopt te krijgen, alles wat hem bedrukt en kwelt verwoordt hij naar zijn vriend. Onophoudelijk bundelt hij zijn kwalen en ontberingen voor de ontvankelijke vriend op afstand, zonder blijk van enige rekenschap maar ook weer met tact wanneer hij alle smart erkennend, gevoelig en voorzichtig, maar ook zeker over de ontkenning de vraag stelt: ‘Ik ben op den duur een lastige vriend, nietwaar?’ En werkelijk, in al die vijftien jaar op afstand die slechts door enkele ontmoetingen worden onderbroken, verliest Overbeck niets van zijn ‘milde standvastigheid’ die Nietzsche met steeds nieuw beroering in hem roemt. Hij luistert met aandacht naar de kleinste klacht, de meest verwarde twijfel probeert hij met troost te verminderen, ook het meest overdrevene neemt hij voor waar zonder het met lichte twijfel te verkleinen, hij irriteert de aangedane niet door tegenspraak en ook nooit heeft hij hem getroost met waanideeën. Uit zijn brieven spreekt een rustige, tedere, aangename en nuchtere opgewektheid en men voelt door de verschillen aan ritmes, uit het tegenovergestelde van de bruisende, springende, oververhitte mededeelzaamheid van Nietzsche, hoe troostend zijn zachtmoedige volharding voor de verlatene moet zijn geweest. Hij bezorgt de kleine specialiteiten die de gespannen maag van zijn vriend nodig heeft, onvermoeibaar en direct vervult hij diens wensen en doet de administratie over zijn geld. De verzoeken gaan nooit over hem zelf maar betreffen altijd zijn vriend. Ze zijn teder als die van een moeder wanneer hij schrijft: “wanneer er geen noodzaak is geen kou lijden en eet gezond”. De verzoeken zijn als een vaderlijke bezorgdheid wanneer hij zo af en toe adviezen probeert te geven die zijn situatie kunnen verbeteren. Slechts een enkele keer probeert hij het diepe lijden van Nietzsche bij de wortel aan te pakken, hem te verlossen van de eenzaamheid die hem verwart en bedrukt, die hem verbrandt en bevriest. Heel voorzichtig, op eieren lopend, doet hij hem het voorstel een docentenberoep op te pakken, uiteraard geen academische meer maar op een Duitse hogeschool. Heel wonderlijk; Nietzsche, die doorgaans adviezen in de wind slaat en bij een andere gelegenheid schrijft ‘men kan Laocoön beter toespreken de slangen die voor hem bedoeld zijn te overwinnen’, en in deze brieven een keer het prachtige aforisme ‘de lijdende is een goedkope buit voor een ieder, met betrekking tot een lijdende is iedereen wijs’ onderstreept, beantwoordt nu rustig en geduldig dit voorstel dat hij met afstand het meest acceptabele vindt van hetgeen hem de laatste tijd werd voorgesteld. Hij onderkent wat de vriend met dit aantrekkelijke voorstel beoogt, voelt het achterliggende doel van deze onwaarschijnlijke terugkeer en voegt slechts sceptisch er aan toe: ‘laten we eerst op de Zarathustra wachten, ik ben bang dat geen enkel bestuur in de wereld mij daarna nog als leraar voor de jeugd wil.’

Maar elke vriendschap met Nietzsche heeft nog een laatste toets te doorstaan, de toets waar alle anderen over struikelden; die van zijn boeken. Het is bijzonder om te zeggen: ook deze vriendschap bestaat niet vanwege de boeken van Nietzsche maar eigenlijk zonder deze. Nietzsche spreekt het zelfs een keer letterlijk uit: ‘Het is mooi dat we de laatste jaren niet zijn vervreemd van elkaar, ook door de Zarathustra niet.’ Nietzsche was er al aan gewend dat iedereen die van hem hield zich vanwege zijn boeken van hem distantieerde, en inderdaad, de literaire productie van Nietzsche was ook veel eerder een toetsing dan een bevordering van hun vriendschap. Overbeck kan nooit oprecht enthousiast reageren op de grootse scheppingen, hij heeft innerlijke morele bezwaren, en beiden die anders vrij en open in een innige tederheid tegenover elkaar staan, ontwijken elkaar hier voorzichtig en ontlopen discussies. Altijd doordrongen van een diepe angst hem erdoor te verliezen geeft Nietzsche de vriend steeds weer boeken en schrijft bij een van deze, gelijktijdig bedelend: ‘Oude vriend, lees het van voor naar achteren en laat je niet in de war brengen of vervreemden. Verzamel alle energie waarmee je mij welbevinden toewenst, jouw geduldige en honderdvoudig bewezen wens voor mijn welbevinden. Is het boek ondraaglijk voor je dan misschien honderd kleinere stukken niet.’ Hij verontschuldigde zich, zulke ongewone dingen te schrijven: ‘men moet nu geen mooie dingen van mij verwachten, net zoals men van een lijdend en hongerend dier niet moet verlangen om zijn prooi met manieren uiteen te rijten.’ Overbeck excuseert zich dan weer op een magnifiek heldere wijze de boeken niet helemaal te begrijpen wanneer hij eerlijk schrijft: ‘ik ben volgens mijn eigen maatstaf niet in staat de verdronkene te zijn wanneer ik probeer om me in je teksten, zoals deze er om vragen, onder te dompelen’. Hij probeert niet met fraaie literaire volzinnen zijn innerlijke afstand tot de teksten te verhullen, maar verdedigt deze liever. Hij bespreekt de teksten niet maar bedankt ervoor, roemt de schrijver en blijft hem trouw. Hij blijft een vriend en daarom de belangrijkste voor een eenzaam iemand. Voor menigeen is het daarom een teleurstelling dat in deze briefwisseling de uitingen over de werken van Nietzsche zo monotoon en eenzijdig zijn en alleen Nietzsche ze toelicht, aankondigt en citeert, terwijl van de zijde van Overbeck de ontladingen alleen maar met enige bescheidenheid gerespecteerd en voorzichtig gewaardeerd worden en hij er vluchtig voor bedankt. Sommigen zijn misschien daarom geneigd, Overbeck als een onbekwaam en niet ter zake kundige te zien, omdat de kracht en de betekenis van deze werken, die voor ons beslissend zijn geworden, bij hem niet gingen dagen. Maar heden ten dage zijn wij, die Nietzsche als een eenheid en zijn werken als een gesloten geheel zien, in retrospectief misschien al niet meer in staat te zien hoe fantastisch, hoe eenzaam, abrupt en onbegrepen de boeken als meteoren in de gezapige tijd insloegen en daar komt bij dat de aankondigingen in de brieven de vriend waarschijnlijk nog angstiger hebben gemaakt. Wanneer hij schrijft: ‘Vandaag kreeg ik voor de eerste keer een gedachte die de geschiedenis van de mensheid in twee delen splijt’, of verkondigt ‘Zarathustra is iets dat geen enkel levend mens behalve ik creëren kan’ of met een profetische toon zegt ‘het huidige Europa heeft nog geen benul om welke verschrikkelijke beslissing mijn hele wezen draait, aan welk rad van problemen ik gebonden ben, dat er een catastrofe in aantocht is waar ik de naam van ken maar niet uitspreken zal’ dan kan men wel vermoeden hoe een vriend bij vlagen met angst en beklemming een dergelijk aangekondigd boek ter hand zal nemen. Maar dan nog laat de trouwe Overbeck Nietzsche niet los en Nietzsche hem niet. Telkens weer bedankt hij Overbeck met klinkende woorden voor de ‘onvermurwbare trouw die je mij hebt gegeven in de moeilijkste en onbegrijpelijkste tijden in mijn leven.’ Met uitzondering van Richard Wagner heb ik niemand ontmoet die ook maar een duizendste aan hartstocht en wil had om goed met mij te willen verkeren.

Richard Wagner: dat is en blijft ondanks alles voor Nietzsche de uiterste maatstaf die hij in de mensheid kent, hem kent hij ondanks alles de grootste lof toe. En inderdaad, naast deze documenten aan Overbeck, zijn de brieven aan Richard Wagner en die aan zijn zus, het hoogtepunt van Nietzsches intimiteit en vertrouwelijkheid. Een grootse wijdte aan gevoel is er door ontstaan, een dramatisch grote stap in de ontwikkeling zoals we daarna niet meer hebben meegemaakt. Geen enkele literaire wanklank of filologisch betoog dempt de hoge en luid klinkende toon die uit de meer dan driehonderd brieven spreekt. Steeds verder klinkend, steeds helderder, als van kristal en scherp, steeds liever en groter tegelijk, tot dan midden in een begonnen zin, de snaar luid knapt en de ineenstorting van dit geweldige brein niet alleen het bewustzijn over de wereld maar ook die over deze vriendschap vernietigt.

Mater Dolorosa. Over de brieven van Nietzsches moeder aan Overbeck.

(wordt vervolgd)