Filosoof. What’s in a name?

Filosoof. What’s in a name?

Door een studie naar de menselijke psyche te volgen en deze studie psychologie met een eigen onderzoek af te ronden, geeft het de student de algemeen en al lang geaccepteerde betiteling ‘psycholoog’. Of ‘planoloog’ door planologie succesvol af te ronden, ’arts’ door een medicijnenstudie te voltooien, ‘socioloog’ bij de afronding van de sociologische wetenschap en idem geldt het voor de student theologie die hem of haar verder als ‘theoloog’ door het leven laat gaan. What’s in a name, zou je je kunnen afvragen want wat doen al die andere hedendaagse en versplinterde studies die steeds meer diepte en minder ‘umfeld’ raken überhaupt met een titel, en is de hang naar internationaal geaccepteerde afkortingen de afgelopen jaren gestaag gegroeid? Maar toch blijft de vraag kleven: is de afgestudeerde in kunstgeschiedenis ook een kunstenaar? Zelfs wanneer deze experimenteert met verschillende kunstuitingen en zo ja, wanneer is deze status dan geaccepteerd? En de liefhebber van de filosofie die via langdurige studie en schrijverij deze academische zoektocht naar de levensbeschouwelijke krochten heeft voltooid, is hij of zij ook filosoof te noemen? Waar zit de angel van deze onbeschermde titel? Hoeveel teksten en of beschouwingen moeten er verschijnen vooraleer we van ‘de filosoof’ kunnen spreken? Het gaat vaak door mijn hoofd wanneer onder of boven een artikel in diverse media de naam van de auteur vergezeld wordt met het predicaat ‘filosoof’. Opnieuw klinkt de vraag; what’s in a name? Om er direct achteraan de vraag te stellen of het een bekrachtiging van de merites van de auteur weergeeft dan wel het een verantwoording aflegt waarom de schrijver de pen heeft gepakt. Of is er nog een derde en vierde vraag te stellen. Vast wel.

Die andere filosoof waarbij ik de liefhebberij voor de wijsheid allerminst betwijfel, wijdde een kleine anderhalve eeuw geleden regelmatig wat woorden aan deze zelfde twijfel rondom de toenmalige academische ‘filosofie’. En zoals bij zovele thema’s die Nietzsche in de zo bekende, prachtige en voor hem kenmerkende stijl aanvliegt, is het niet alleen de filosoof in hem maar ook de literair kunstenaar, die ons zoveel mooie woorden en zinnen heeft achtergelaten. In de jaren 70 van de 19eeeuw bijvoorbeeld wanneer Nietzsche zijn professoraat bekleed aan de universiteit van Bazel en volop in zijn ‘Unzeitgemäse Betrachtungen’ aan het schrijven is, komt de positie van de ‘filosoof’ veelvuldig in zijn kritische vizier. In zijn werken maar zeer zeker ook in de ‘Nagelaten Fragmenten’ komen we het perspectief waarmee Nietzsche naar de gedoceerde filosofie keek vaak tegen. Nietzsche beschouwt graag de filosoof in de kunstenaar, met name in de muziekkunstenaar, maar ook in de rol van de priester en kerkelijk (lees geestelijk) vader. De brug, het verband of wellicht het verbond tussen de kunstenaar en de filosoof blijft broos, het kan immers niet de cultuur zélf zijn die de denker of de scheppende als doel voor zich heeft. Het brengt geen weten of kennis voort, in tegenstelling tot de filoloog. De beschouwer heeft de afstand tot de wereld nodig en verblijft, in tegenstelling tot de veelgehoorde moderne opvatting vooral in het hier en nu te leven, op een kleine of grotere afstand in tijd en plaats. Het is de distantie de ‘verhouding tot’ die het scheppende en reflecterende als basis heeft. ‘Der Philosoph ist ein Wunder. Sein Ziel kann jedenfalls nicht die Kultur sein. Aber ebenso steht es mit dem Kunstwerk. Beide haben doch ein Verhältniß zur Kultur, schrijft hij in 1871. Of in zijn ‘Geburt der Tragödie’ waar hij de verhouding met die van de dromer vergelijkt: ‘Wie nun der Philosoph zur Wirklichkeit des Daseins, so verhält sich der künstlerisch erregbare Mensch zur Wirklichkeit des Traumes; er sieht genau und gern zu: denn aus diesen Bildern deutet er sich das Leben, an diesen Vorgängen übt er sich für das Leben.’

In zijn ‘Sechs öffentliche Vorträge’ die de welgemeende titel ‘Über die Zukunft unserer Bildungsanstalten’ (1872) kreeg, komt de positie van de filosoof en zijn ‘Bildingsideal’ ruim aan bod. De derde van de zes opent als volgt: ‘Verehrte Anwesende! Das Gespräch, dessen Zuhörer ich einst war und dessen Grundzüge ich hier vor Ihnen aus lebhafter Erinnerung nachzuzeichnen versuche, war an dem Punkte, wo ich das letzte Mal meine Erzählung beschloß, durch eine ernste und lange Pause unterbrochen worden. Der Philosoph sowohl wie sein Begleiter saßen in trübsinniges Schweigen versunken da: jedem von ihnen lag der eben besprochne seltsame Notstand der wichtigsten Bildungsanstalt, des Gymnasiums, auf der Seele, als eine Last, zu deren Beseitigung der gutgesinnte Einzelne zu schwach und die Masse nicht gutgesinnt genug ist.’ De lezingen zelf zijn een lust om te lezen, zowel vanuit literair, filosofisch dan wel pedagogisch standpunt bekeken. Het is de voortdurende scepsis van filosoof tegenover de onderwijsinstelling dat het in mijn ogen zo’n tijdloos mooi document maakt om te lezen.

Terug naar de filosoof in de ‘Nachlass’, en specifieker 1872/1873. In de prachtige vertaling van Michel van Nieuwstadt blader ik in deel één en stuit op diverse kritische opmerkingen uit de pen van Nietzsche. Maar toch eerst even naar de bron: ‘Der Philosoph der tragischen Erkenntniß. Er bändigt den entfesselten Wissenstrieb, nicht durch eine neue Metaphysik. Er stellt keinen neuen Glauben auf. Er empfindet den weggezogenen Boden der Metaphysik tragisch und kann sich doch an dem bunten Wirbelspiele der Wissenschaften nie befriedigen.’ Hier geeft hij weer wat te denken voor de zichzelf ‘filosoof’ noemde ontdekker en wetenschapper. Even verderop en In de vertaling: ‘…de kennisdrift keert zich, aan haar grenzen gekomen, tegen zichzelf, om nu over te gaan in kritiek van het weten. De kennis in dienst van het beste leven’, om dan af te sluiten met ‘je moet zelfs de illusie willen – daarin ligt het tragische.’ Het tragische, van wat vraag je je dan af. Van de filosofie die zoveel last heeft van de kennis over zichzelf? De hang naar het weten? In ieder geval brengt die wetende drift niet veel filosofie voort, het is niet de liefde voor maar meer het veilig vangen en verklaren van die waarheid, werkelijkheid en wereld, www zou je kunnen zeggen, de beginnende letters van de mondiale en ongelimiteerde kennis die de 5 w’s van de journalist (wie, wat, waar, waarom en wanneer) allang in de schaduw hebben gesteld. De kennisdrift van de filosofisch geschoolde wil ook iets consistents dat als waarheidsfundament mag gelden: ‘Der Philosoph sucht nun in dem Bereich, in dem die Religionen walteten, auch das „Wirkliche“, das Bleibende, im Gefühl des ewigen mythischen Lügenspiels. Er will Wahrheit, die bleibt. Er breitet also das Bedürfniß nach festen Wahrheitsconventionen auf neue Gebiete aus.’

Raphael: Thales van Milete

In 1873 voltooid Nietzsche zijn ‘Betrachtung’ ‘die Philosophie im tragischen Zeitalter der Griechen’ waarin hij tegen het licht van de uitspraak van Thales dat alles uit water bestaat de positie van de filosoof tegenover die van de wetenschapper plaatst: Hätte er gesagt: aus Wasser wird Erde, so hätten wir nur eine wissenschaftliche Hypothese, eine falsche, aber doch eine schwer widerlegbare. Aber er gieng über das Wissenschaftliche hinaus.’ Want wat doet de filosoof in Thales, de niet-wetenschappelijke filosoof die hij is en die Nietzsche ten tonele voert: ‘Der Philosoph sucht den Gesammtklang der Welt in sich nachtönen zu lassen und ihn aus sich herauszustellen in Begriffen: während er beschaulich ist wie der bildende Künstler, mitleidend, wie der Religiöse, nach Zwecken und Kausalitäten spähend, wie der wissenschaftliche Mensch, während er sich zum Makrokosmos aufschwellen fühlt, behält er dabei die Besonnenheit, sich, als den Wiederschein der Welt, kalt zu betrachten, jene Besonnenheit, die der dramatische Künstler besitzt, wenn er sich in andre Leiber verwandelt, aus ihnen redet und doch diese Verwandlung nach außen hin, in geschriebenen Versen zu projiciren weiß.’

In de periode zomer/herfst 1873 gaat Nietzsche onverstoorbaar verder om de positie van de filosoof scherp te houden voor zijn gehoor. Hij roept in een enkele zin ‘Wat voor naturen worden tegenwoordig nog filosoof?’ en werpt daarmee al geruime tijd geleden een vraag vooruit naar de huidige tijd. In een kort daaropvolgend aforisme schrijft hij; ‘de filosoof is enerzijds voor zichzelf, en voorts ook voor anderen filosoof. Het is niet mogelijk om het helemaal alleen voor jezelf te zijn. Want als mens staat hij in relatie tot andere mensen: en als hij filosoof is, moet hij dat ook in deze relaties zijn. Ik bedoel: zelfs in het geval hij zich streng van hen afzondert, als kluizenaar, geeft hij daarmee een leer, een voorbeeld te kennen en is hij filosoof ook voor de anderen. Hij mag zich gedragen hoe hij wil: zijn filosoof-zijn heeft altijd een kant die naar de mensen gericht is.’

Zoals boven al aangehaald lijkt er een verbond tussen de kunstenaar en de filosoof te bestaan. Beide hun positie delend in verhouding tot de wereld. Ook bij Nietzsche komt dit veelvuldig terug, bijvoorbeeld in zijn korte notitie ‘over de bestemming van de filosoof: ‘(…) je merkt het bij de vraag: waartoe bestaat een kunstwerk? Voor wie? Voor de kunstenaar? Voor de andere mensen? Maar voor de kunstenaar is het niet nodig dat hij een beeld dat hij ziet zichtbaar maakt en aan anderen toont. In elk geval is het geluk dat de kunstenaar aan zijn werk beleeft evenals zijn begrip ervoor groter dan het geluk en het begrip bij alle overigen (…). De filosoof al helemaal. Voor wie filosofeert hij. Voor zichzelf? Voor anderen? Het eerste zou zinloze verspilling van de natuur zijn, het tweede zou weer ondoelmatig zijn. Het nut van de filosoof heeft altijd maar op weinigen betrekking en niet op het volk: en op die weinigen heeft het niet zo sterk betrekking als op de aanstichter zelf (…). De kunstenaar schiet net als de filosoof zijn pijl het gewemel in (‘das Gewimmel’). Die zal wel ergens blijven hangen. Ze mikken niet. De natuur mikt niet en schiet er talloze keren naast. Kunstenaars en filosofen gaan te gronde, omdat hun pijlen geen doel treffen.’ Zo’n laatste conclusie en uitspraak typeert de nog redelijk jonge Nietzsche, het tragische is een vaak dominante gevolgtrekking.

‘Friedrich Nietzsche’ door Edvard Munch (1906)

In zijn utilistische gedachtegang trekt Nietzsche de positie van de kunstenaar maar vooral die van de filosoof – en deze zijn tragische rol toedichtend – verder naar de ‘bedoeling’ van de natuur: ‘de natuur is er voor het nut van het algemeen, maar zij wendt niet altijd de beste en handigste middelen aan. Dat zij met de kunstenaar, met de filosoof de anderen wilde helpen, daaraan bestaat geen twijfel: maar hoe onevenredig klein en toevallig is het gevolg, gerekend naar de oorzaken (de kunstenaar, het kunstwerk)! Speciaal bij de filosoof is de verlegenheid groot: de weg van hem naar het object, waarop invloed moet worden uitgeoefend, is volkomen toevallig. Talloze keren mislukt het. De natuur verkwist, niet evenwel uit overvloed, maar uit onervarenheid: je moet aannemen dat zij, als zij een mens was, onoverkomelijk kwaad op zichzelf zou worden.’

Je vraagt je af hoe de jonge professor Nietzsche zijn gedachten combineerde met zijn werk. Hoe je dit soort posities en visies kunt laten samenvallen met de pedagogiek van de naar ‘weten’ hunkerende student aan de filologische faculteit. In eerste instantie lijkt daar enig academisch nihilisme voorbij te komen, een positie waar Nietzsche zich jaren later uit zou bevrijden door zijn docentschap aan de wilgen te hangen. ‘Ik zou nooit toestaan dat een baan op meer dan een kwart van mijn energie beslag legt’ schrijft hij al vier jaar na zijn aanstelling in Bazel.

‘De filosofie in het nauw’, vertaalt van Nieuwstadt het origineel ‘Bedraegnis der Philosophie’. Kapitaal gezet door Nietzsche boven 22 punten en in drie categorieën onderverdeeld (‘Nood van deze tijd, eisen die aan de filosoof gesteld worden’, ‘Aanvallen op de filosofie’ en ‘Beeld van de filosoof’) gevolgd door een vraag of de filosofie een fundament van de cultuur kan zijn. Nietzsche blijft pessimistisch over de invulling van de filosofie en de rol van de filosoof. Het is een vergane glorie wanneer hij zijn Grieken van stal haalt en om zich heen kijkt. Die verhevene positie die hem ook postuum een solistische en eenzame positie heeft opgeleverd maar anderzijds ervoor gezorgd heeft dat hij in ontelbaar veel fundamenten van denkers na hem voorkomt. Zijn kritische adelaarsblik, zwevend boven dat academische milieu van het 19-eeuwse Duitsland, heeft iets tijdloos in zich. ‘Denkbedrijf’ komt zelfs als titel voorbij: ‘Met het woord filosofie, toegepast op Duitse geleerden en schrijvers, heb ik sinds enige tijd problemen: het lijkt mij daarvoor niet geschikt. Ik had liever dat men het vermeed en in het vervolg, Duits en krachtig, alleen nog maar zou spreken van denkbedrijf (…).’ Het Duitse denkbedrijf dat niet alleen in Duitsland wortel heeft geschoten. Nietzsche blijft de Griekse denker tegenover de academische filoloog zetten. Een positie die langzaam terrein heeft verloren waarbij de kennende denker, de wetenschapper met kennis over, het heeft gewonnen van de zichzelf soms tegensprekende onderzoeker die tragisch steeds zichzelf te gronde richt door zijn eigen beschouwingen. ‘Nut en nadeel van de filosofie voor het leven’ zou je kunnen opmerken. ‘In feite heeft de filosofie zich laten binnentrekken in de vloedstroom van de huidige vorming: ze beheerst die vloedstroom absoluut niet. In het beste geval is zij wetenschap geworden’, schrijft Nietzsche zijn 22 punten afsluitend. Intrigerend: ‘…in het beste geval’.

De zichzelf ‘filosoof’ noemende afgestudeerde kan zijn/haar borst nat maken wanneer je onder de douche gaat staan van gedachten en woorden die het spraakwater van Nietzsche kan vormen. Is er nog een taak, een opdracht een positie in deze 21eeeuw? Als nooit te voor, ben je geneigd hardop te roepen nu de geesteswetenschappen in de verdrukking staan en in menig academische kringen hun best doen nog enige positie te behouden. Een keihard noodzakelijke positie maar laat de afgestudeerden in de kennis over de filosofen en training in filosofische thematiek zichzelf niet filosoof noemen. Net zomin als de afgestudeerde student aan de kunstopleiding nog geen kunstenaar is, verdient de liefhebber van de waarheid nog niet filosoof te zijn door welke studie filosofie dan ook te volgen. De misleiding van de benaming, what’s in a name, heeft iets on-filosofisch wanneer onderzoek of een artikel dat vast geankerd is in of schrijvend vanuit het denkbedrijf (‘Denkwirthschaft’), een ‘filosoof’ als auteur krijgt. Tijd om de definitie bij het denkbedrijf Wikipedia eens kritisch onder de loep te leggen en de onbeschermde titel ‘filosoof’ aan hen te schenken die een plek verdienen in de veel bestudeerde geschiedenis van de filosofie.